
Niet de angst om een babbeltje te slagen, wel een verlammende angst om voor een publiek te spreken. Dat betekent de spreekangst in mijn bestaan. En deze gaat al heel ver terug.
Een jaar of acht was ik, toen ik in het derde leerjaar zat. Bij mijn eigen tante, ik was het nichtje van de juf van de klas. Supertrots, want het was een lieve juf en ze was erg populair. Ze ontfermde zich over me en ik voelde me beschermd.
Tot die ene dag, dat ene moment. Het schoolfeest kwam eraan en we moesten een toneelstukje voorbereiden. “Wie wil de hoofdrol spelen?” weerklonk het. En meteen vlogen alle vingers enthousiast de lucht in. Had ik de vraag niet goed gehoord, of was het de groepsdruk – ik was nogal een volgertje –mijn vinger ging even snel omhoog. En ja, daar had je het, ik had prijs! Ik mocht de hoofdrol vertolken op het schoolfeest, waar alle ouders, kinderen, juffen, …. zouden naar kijken. Meteen wist ik dat ik een gigantische vergissing had begaan. De grond zakte weg, ik zat in zak en as.
De weken erop hing ik aan mama’s en tantes rok, vroeg ik, zaagde ik, smeekte ik om dit ongedaan te maken, om iemand anders aan te duiden. Maar het kon niet zijn, ik moest het doen. Niemand hoorde mijn angst, niemand luisterde naar mijn pijn. Dat was zo in die tijd, enkel lichamelijk leed bestond echt. En bovendien kreeg ik een mooie gunst, dat kon ik toch niet afslaan?
Maar de druk die op mijn schouders lag was veel te groot, ik kon die niet dragen. De angst die ik toen voelde was onuitstaanbaar. Ik voel ‘m soms nog steeds. En toen de dag van de waarheid naderde, ik had al enkele hele slechte nachten gehad, werd ik ziek. Fysiek ziek. Ik heb het optreden niet kunnen doen en voelde me zodanig klein, zo onwaardig, ik was diep ontgoocheld in mezelf. Maar tegelijk was ik opgelucht, want ik was nog nooit zo bang voor iets geweest.
Het was geen nieuwe angst, ik had al eerder paniekgevoelens gehad als ik voor de klas een gedicht moest opzeggen of iets dergelijks. Maar dit was zo overweldigend dat het bepalend was voor mijn toekomstige leven. En ik kon niemand iets kwalijk nemen, iedereen had met mij het beste voor. Ik had geblunderd, ik kon het enkel mezelf verwijten.
Ik leerde toen wel een wijze les: je moet de gevolgen dragen van je eigen gedrag. Die les kwam me later vaak van pas, al heb ik er ongetwijfeld ook vele kansen door gemist. Gewoon omdat ik niet durfde.
Tot op vandaag slaag ik er niet in om een publiek toe te spreken zonder haast te sterven van angst. Op een podium staan sla ik af. Maar ook spreken in een vergadering die buiten mijn comfortzone ligt is nog steeds moeilijk.
Confrontatie , zegt men, de enige oplossing. Dat geloof ik wel, dat heeft me door de vele vergaderingen en de “stel jezelf even voor”-momenten geholpen. Maar een podium, daar trek ik de grens.
Tetteren, kwebbelen, tateren, ik kan het allemaal, zolang niet de hele wereld meeluistert.
En mijn tante, die draag ik nog steeds een warm hart toe. Ze was een topjuf, en nog steeds een toptante!

Een reactie achterlaten op Stone De feyter Reactie annuleren